Baybaşin en de rechters die zichzelf overtroffen

Rechters worden in staat geacht om aan de hand van de door partijen gepresenteerde gegevens:

1. een gewogen eindoordeel te geven

2. partijen worden in staat geacht om die feiten ter zitting voldoende naar voren te brengen. ( de vraag is echter of de rechters hen daartoe de gelegenheid geven)

3. Inzake zijn of haar oordeel dient een rechter vanzelfsprekend (zo vanzelfsprekend is dat niet) op zoek te gaan naar relevante bewijsvoering en deze te analyseren.

Ik kan u lezers nu al vertellen dat op alle drie punten de rechters in de zaak Baybaşin hun taak op de grofste wijze hebben verzuimd uit voeren.

Om te beginnen is Baybaşin in 2001 tot 20 jaar veroordeeld voor het volgende delict:

2001: “Medeplegen van moord”

blijft ook in hoger beroep 2002: “Medeplegen van moord”, waarvoor dus levenslang is opgelegd

‘Medeplegen van moord” kon zo worden geformuleerd nadat zijn thuisadres in Lieshout werd aangemerkt als plaats delict.

Uit de conclusie van Aben:
“Het betreft de Ögezaak: Het medeplegen van moord (tezamen met Yavuz en Nuri Korkut en de uitvoerder(s) van de moord) op Sadik Suleyman Öge op 9 november 1997 (omstreeks 16.25 uur) in (een theetuin in) Istanbul. Baybasin heeft deze moord in Nederland beraamd, en daartoe instructies gegeven aan Yavuz en Korkut en aldus indirect de personen aangestuurd die deze moord moesten plegen.”

De redenering van Baybasins verdediging:

Yavuz Yavuztürk en Nuri Korkut zouden de moord op Öge in opdracht van Baybasin hebben moeten organiseren. In Turkije is de bedoelde Korkut echter nooit vervolgd voor de moord. Ofschoon het bewijsmateriaal in de zaak tegen Baybasin desgevraagd is overgedragen aan de Turkse autoriteiten is Yavuztürk, alsmede zijn twee andere verdachten in deze moordzaak in Turkije op 13 oktober 2004 overeenkomstig de eis van de aanklager vrijgesproken bij gebrek aan bewijs.

In het herzieningsverzoek wordt dit beschouwd als een weerlegging van ‘s hofs bewijsconstructie.

Yavuztürk heeft op de terechtzitting van de rechtbank te Sinop (Turkije) van 1 juli 2002,~~ c.q. later tegenover Langendoen verklaard dat hij niets met de moord van doen heeft en dat hij pas 5 â 6 maanden na de moord op Öge daarvan op de hoogte kwam, dat hem tijdens zijn detentie tapgesprekken en transcripties daarvan werden voorgehouden, en dit met de mededeling dat het gesprekken betroffen tussen hem en Baybasin, waarin de laatste hem opdracht tot de moord zou hebben gegeven. Naar zeggen van Yavuz was dat onjuist en herkende hij zijn eigen stem en die van Baybaşin niet eens.

Als gevolg van foltering en onder dwang heeft hij een bekennende verklaring ondertekend.De vraag rijst bovendien waarom de Nederlandse rechter wel uit Turkije afkomstig bewijsmateriaal over de moord op Öge is gepresenteerd, maar niet de ontkennende verklaring van Yavuz (uit 1998). Kennelijk is ontlastend bewijsmateriaal achtergehouden.”

De rechters vonden dit ter verdediging niet aannemelijk. Wat vonden de rechters in 2002 wel aannemelijk?

“Op 9 november 1997 is Oge in een theetuin in Istanbul vermoord. Uit telefoongesprekken die zijn afgeluisterd voor, op en na die datum blijkt dat de verdachte rechtstreeks betrokken is geweest bij deze moord. Hij heeft voor de moord aangegeven dat het werk geregeld/geklaard moest worden. Kort na de moord is hem gemeld dat het “ding” in een tuin “voor elkaar is” en de verdachte heeft daarover zijn tevredenheid uitgesproken.”

Het bewijs: Baybasin heeft in codetaal de moord op Öge vanuit zijn woonplaats Lieshout in Brabant ‘medegepleegd’, waarbij de codewoorden waren: het werk geregeld/geklaard moest worden, het ding in een tuin voor elkaar is, waarop een uiting van tevredenheid volgde.

En daarom schrijven de rechters: “Het hof is van oordeel dat de feiten en omstandigheden waaronder deze ( dus alle zes delicten, maar daarover later meer) zijn gepleegd, van dien aard zijn dat ze een zeer langdurige gevangenisstraf rechtvaardigen. In deze zaak staat het hof, evenals de rechtbank in eerste aanleg, voor de keuze of hij de maximale tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaar of de levenslange gevangenisstraf die is geëist zal opleggen.”

Met andere woorden ook in rechtszaak in 2001 is die afweging gemaakt. Echter toen werd het 20 jaar. Dus waarom dan nu levenslang?

“Het niets ontziende karakter van de organisatie waarvan de verdachte de leider was, is een factor die in de overwegingen omtrent de strafmaat een groot gewicht in de schaal legt.

De koelbloedige, meedogenloze wijze waarop de verdachte wereldwijd acties van vergelding (c.q. pogingen daartoe) initieerde en regisseerde vraagt om een reactie, die voor de toekomst uitsluit dat hij nog ooit de gelegenheid krijgt, om op een dergelijke wijze over de levens van anderen te beslissen.

Dat alleen al rechtvaardigt naar het oordeel van het hof het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.

Daarbij komen nog argumenten van generaal preventieve aard en van normbevestiging.

Dat laatste argument, waarvan de advocaat-generaal heeft benadrukt dat dit voor hem het meest important is, betekent in dit geval dat duidelijk moet worden gemaakt, dat iemand voor wie het leven van anderen van geen waarde is, het recht heeft verspeeld om nog langer in de vrije samenleving met die anderen te verblijven.”

Nou nou nou, wat een superlatieven. En dat moet de levenslange gevangenisstraf rechtvaardigen?

Nog even in de herhaling. Het bewijs: Baybasin heeft in codetaal de moord op Öge vanuit zijn woonplaats Lieshout in Brabant ‘medegepleegd’, waarbij de codewoorden waren: het werk geregeld/geklaard moest worden, het ding in een tuin voor elkaar is, waarop een uiting van tevredenheid volgde.

Volgens A-G Aben in zijn conclusie kon en kan een levenslange gevangenisstraf uitsluitend op basis van dit ene delict ‘de moord op Öge’ worden opgelegd. Toch wordt levenslang opgelegd op basis van bovengenoemde superlatieven van de rechters? Ja want er zijn niet meer, wat heet, bewijzen aangedragen! Het is dus een interpretatie van hetzelfde gegeven, met als doorslaggevend argument:

“De verdachte vormde samen met anderen een criminele organisatie die in Nederland zijn weerga nauwelijks kent. De slagkracht van deze organisatie blijkt alleen al uit de omstandigheid dat de hierboven genoemde strafbare feiten zich hebben voorgedaan in een korte periode, namelijk in de periode van september 1997 tot en met februari 1998.”

De rechters hebben zichzelf daarin overtroffen.

 

Link naar het vonnis

lees ook: dat verdient levenslang

Bedankt voor uw bezoek