Baybaşin en de verhalenvertellers

Het boek van Bovenkerk in 1998, De Maffia van Turkije, beter gezegd de hernieuwde uitgave in 2004 (Engelse vertaling 2007) is de bron geweest  voor het vestigen van Baybaşins naam als ‘de Koerdische Pablo Escobar’.

De berichtgeving over de ‘misdadige’ clan Baybaşin in de mainstreammedia komt pas daarna goed op gang. Daarvoor hoef je alleen maar op het internet te kijken.

Maar wat mij het meest intrigeert op dit moment is deze eerste alinea in het boek van 1998 waarin het verhaal van Hüseyin Baybaşin door de schrijvers wordt ingeleid:

“Zijn signalement was internationaal verspreid.”  Wij moeten daaruit begrijpen dat onze politie uitkeek naar een man die voldeed aan dat signalement en daarvoor onopvallende auto‘s aanhield bij de grens om dan even een blik naar binnen te werpen om te zien of zich daarin een man zou bevinden die aan dat signalement voldeed. ( dat zijn nu de trucs waar ik het in mijn vorige aflevering over had)

Over die arrestatie had ik begin 2013 eigenlijk al zo mijn vragen. Uit mijn externe geheugen bij De Roestige Spijker:

– door ldbroersma op maandag 29 april 2013 om 14:09

“In de vorige uitzending van talk2myra, waar u (Rubinstein) vanavond te gast bent, was Baybasin zelf aan het woord en ik was meteen getriggerd toen hij vertelde dat hij een zakelijke bespreking had in Belgie maar op verzoek meegegaan was naar Nederland om daar te worden opgewacht door een arrestatieteam. Dat was in 1995, pas daarna heeft hij om uitlevering naar Turkije te voorkomen, asiel aangevraagd.



Volgens Baybasin is hij dus in de val gelopen door in 1995 naar Nederland te reizen. Dat betekent dat er vanuit Nederland een organisatie is opgezet om hem hier naar toe te lokken. Want toevallig is er niet een arrestatieteam op de been.

 

Wie heeft hier in Nederland een arrestatiebevel uitgevaardigd en wat was de inhoud daarvan? Wie heeft de arrestatie mogelijk gemaakt en wanneer is de Nederlandse overheid hiermee gestart en waarom Nederland? Had hij in Nederland een wet overtreden?



De Turkse overheid heeft in 1995 ook om uitlevering gevraagd. Dat heeft Baybasin kunnen voorkomen door een asielprocedure op gang te zetten en op 28 oktober 1997 heeft de rechter uitlevering verboden en is hij in vrijheid gesteld. Om in 1998 opnieuw gearresteerd te worden maar nu met als gevolg dat hij tot levenslang is veroordeeld.

”  

“De Nederlandse Staat heeft veel uit te leggen:
Waarom hebben zij Baybasin, die in feite niet in Nederland moest of wilde zijn, gearresteerd in 1995? Ze stonden hem al op te wachten. Hoe zit dat? Wie heeft dat zo bedacht? Waarom Nederland, waarom niet Belgie of Engeland? Waarom Nederland? Was Nederland dat verplicht aan Turkije?”

Vorig jaar heeft HHC aan Interpol een verzoek gedaan om een kopie van dat internationale arrestatiebevel en kreeg 0 op het rekest. Er was geen internationaal arrestatiebevel, ook nooit geweest volgens Interpol.

De uitkomst van het Wob verzoek aan het ministerie van J en V was uitermate vaag: het ‘arrestatiebevel’ was er wel maar ook weer niet. Later begreep ik uit het artikel van HHC dat het zou gaan om een diplomatiek verzoek van de Turkse -aan de Nederlandse overheid. Het blijft een ietwat warrig verhaal, ook juridisch. De vragen die ik begin 2013 stelde bij de Roestige Spijker zijn daarmee nog niet helder beantwoord.

De ene bron put uit een andere bron en is er sprake van typefoutjes etc. etc. Ging het nu om de organisatie van een criminele organisatie om in drugs te handelen of om de organisatie van een afdeling van het Koerdisch parlement in Ballingschap in Den Haag? Duidelijk wordt wel in een reactie van de overheid dat zij uit landsbelang de vragen niet wil beantwoorden om de diplomatieke betrekkingen met Turkije niet te verstoren.

Hoe dan ook, het is toch volstrekt onlogisch, als er al een internationaal arrestatiebevel zou zijn geweest, dat hij niet was opgepakt in Engeland waar hij woonde of in Belgie waar hij toen was. Nee, net over de grens bij Nederland. Maar waarvoor hij in 1995 werd aangeklaagd of voor gezocht? Dat blijft onduidelijk en verdwijnt naar de achtergrond. En zeker voor wat betreft de Nederlandse bemoeienis met de kwestie. Er werd gewoon niet meer aan gerefereerd.  In de media verschijnen daarvoor in de plaats berichten dat Baybaşin vluchtte, zich in 1995 in Nederland bevond en toen asiel aanvroeg. Het woord arrestatie wordt vervangen door asielaanvraag, gezochte formuleringen zoals ik het lees. Pas na zijn ‘aanhouding’ in 1998 gaat dat verleden weer meespelen.

In de eerste periode van zijn detentie in 1996, in afwachting van toestemming om te mogen blijven, ontvangt hij dus de twee schrijvers, Bovenkerk en Yesilgoz, en vertelt volgens hen min of meer trots, over zijn misdadige verleden.  Persoonlijk vind ik, zou hij een dergelijk verhaal over zichzelf hebben verteld, dat volstrekt onlogisch en ongeloofwaardig, zeker als je net gearresteerd bent en in een gevangenis verblijft. Bovendien heeft hijzelf nooit inzage gehad in dat hoofdstuk, laat staan in de aanleiding van zijn aanhouding of arrestatie.

Ongetwijfeld zullen er gebeurtenissen verteld zijn door Baybaşin, maar het is voor een verhalenverteller een klein kunstje om er een eigen draai aan te geven. Daarvan zie ik de letterlijke vertalingen in Engelse bladen, die steevast verwijzen naar ‘the source’ in het boek van Bovenkerk en Yesilgoz, terug.

Het verhaal van Hüseyin Baybasin

“De groten noemen we bij hun naam; in Turkije kent iedereen ze en ook de betrokkenen zelf zouden verbaasd zijn als we hun namen niet zouden noemen. Zij hebben bekendheid verworven met daden die ze zelf overwegend helemaal niet als oneervol beschouwen. Dat zij zelfs teleurgesteld zouden zijn als we ze niet zouden noemen, is natuurlijk geen argument geweest.”

Aldus het tweetal criminologen, tevens politicologen, antropologen en verhalenvertellers Frank Bovenkerk en Yücel Yeşilgöz . In het boek De Maffia van Turkije van 1998 laten zij Baybaşin zijn verhaal vertellen. Zij, de schrijvers, tekenden het voor de geschiedenis op. De voorgeschiedenis:

“7. HET VERHAAL VAN HUSEYIN BAYBASIN   257

Opgroeien in het Koerdische zuidoosten van Turkije   260
De opbouw van een criminele carriere   262
Drugshandelaar  270
Koerdische bewustwording   274
Smokkelmysteries in de Perzische Golf en Rode Zee    285
Namus   289″

Baybaşin heeft zijn verhaal volgens de schrijvers openhartig en zonder enige terughoudendheid verteld, begin 1996 in een 20-tal gesprekken tijdens zijn detentie in een Nederlandse gevangenis. Zich blijkbaar niet bewust dat hier in Nederland andere mores gelden dan in Turkije, vertelde hij spontaan over zijn criminele handel en wandel vanaf zijn vroegste jeugd tot dan, met de laatste jaren als voortvarende zakenman.

De schrijvers vatten het als volgt samen:

 

Baybaşins hoofdstuk met zijn verhaal was volgens de schrijvers dus niet meer dan een ‘mooie’ illustratie van de typische carrière van een Turks Koerdische onderwereldbaas, zoals de schrijvers Baybaşin zichzelf laten introduceren: het ‘beresterke’ product van een traditionele stam die nog leeft met zaken als eer en bloedwraak en zich had ontwikkeld tot een maffiabaas van mythische proportie. De baba’s zelf doen alles aan imagebuilding om die status onder de het volk te bemachtigen. Nou dan weten de lezers het wel.

En ondanks de opgetekende geschiedenis worden de criminologen op 27 maart dan toch nog ‘overvallen’ door het bericht dat hij is gearresteerd. Nee, dat hadden ze blijkbaar nooit verwacht immers hij ‘leek’ het leven te leiden van een inmiddels keurige getrouwde zakenman.

De schrijvers treft geen blaam, want wat lezen we op blz 42; “De gevoeligheid van het materiaal noopt tot uiterste zorgvuldigheid; we hebben dan ook geen feiten vermeld die we niet volledig kunnen verantwoorden” 

Twee datums die de aandacht trekken:

*24 december 1995: de dag dat baybasin werd aangehouden.

*9 maart 1995: verzoek om uitlevering door de hoofdofficier van justitie van de rechtbank voor staatsveiligheidszaken te Istanbul en ook Interpol op verozek van de republiek Turkije een arrestatiebevel uit had doen gaan.

De feiten gecheckt? Als ik het goed heb begrepen is er alleen sprake van een diplomatiek verzoek van de Turkse -aan de Nederlandse overheid om Baybaşin aan hen uit te leveren. Een internationaal arrestatiebevel bestaat niet, is er nooit geweest. Baybaşin had een bewogen geschiedenis in de internationale ‘onderwereld’ achter de rug? Dat moest hij dan wel eerst zelf aan de schrijvers vertellen; volgens “eigen zeggen” één van de allergrootste baba van Turkije?

” Ofschoon het ons van meet of aan slechts te doen is om objectieve criminologische analyse, zijn we door de politieke kanten van het vraagstuk steeds gedwongen ook over de politieke implicaties van het probleem na te denken.”

Dat wordt door de schrijvers als zwaar ervaren, lees ik op blz 42. Want die politiek is een beperkende factor voor de objectiviteit, de wetenschappelijke benadering, zo schrijven zij. Maar dan hebben we die goeie ouwe Max. Max Weber voor intimi, die de schrijvers uitkomst bood, immers die goeie ouwe Max zei het al: objectiviteit is niet haalbaar. Gewoon je best doen en er zoveel mogelijk naar streven. Was getekend, Frankie&Co in het boek De Maffia van Turkije.

Tot slot: het zou het verhaal zijn van Hüseyin Baybaşin en dat verhaal, die criminele voorgeschiedenis, waar het OM en A-G Aben in zijn conclusie n.a.v. het Herzieningsverzoek naar verwijzen, valt zoals de schrijvers het dan nadrukkelijk en dan weer impliciet laten weten, buiten hun verantwoordelijkheid. In die zin vind ik het een laf boek en zeker niet wetenschappelijk.

Ik ben benieuwd overigens naar de uitgave van 2004. Baybaşin heeft het boek van 1998, noch het hoofdstuk, waarin hij ‘zelf’ zijn verhaal vertelt, vóór publicatie gelezen. Had er geen flauw benul van dat hij ‘ter illustratie’, als ‘het’ voorbeeld van een Turks Koerdische Maffiabaas en hoe je zoiets wordt, ten toon gesteld werd, want zo kun je het wel stellen.

Toen hij het in de gaten kreeg was het te laat. Luister nog eens naar het interview dat Rein Gerritsen gaf aan Talk2Myra.

#Baybaşin en de fijne heren der wetenschap

Op woensdag 28 mei 1998 verschijnt er in de Groene Amsterdammer een artikel over de presentatie van het boek De Turkse Maffia van Frank Bovenkerk, in het Perscentrum van de maandag daarvoor. We lezen:

“IN DE MAFFIA van Turkije staat de Nederlandse situatie echter niet centraal. Het centrale punt in het boek is de betekenis van de baba in de Turkse cultuur. Deze ‘peetvaders’, die in Turkije de misdaad beheersen, worden volgens de auteurs nog steeds door veel mensen tot mythische figuren verheven; een soort gangsters van het kaliber van Al Capone.”

Zie hoe hier het begrip Al Capone het levenslicht ziet, en verder:

“In dezelfde periode – voor Susurluk – spraken Bovenkerk en Yesilgöz met een van de grootste baba’s van Turkije, die op dat moment voor een korte periode in de gevangenis van Breda gedetineerd was. Hij sprak openhartig over zijn eigen carrière als drugsdealer en gaf fijntjes aan op welke wijze de Turkse overheid bij de misdaad was betrokken. De opbrengsten van zijn eigen handel kwamen ten goede aan de Koerdische beweging.”

Weliswaar wordt Baybaşin niet bij naam genoemd maar het betreft hem wel, want “op 28 maart 1998 werd Baybaşin door de Nederlandse politie gearresteerd. Na vier jaar voorarrest veroordeelde het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch hem op 30 juli 2002 tot een levenslange gevangenisstraf voor ondermeer een in 1997 in Istanbul gepleegde moord en ontvoering, een poging tot uitlokking van moord in Kentucky en een poging tot invoer van 20 kg heroïne.”

Dus wij moeten aannemen dat een man die opgepakt is voor handel in heroine en beschuldigd van een afrekening in het criminele milieu, openhartig en fijntjes hier aan deze schrijvers en wetenschappers der criminologie tijdens zijn voorarrest bekent, dat hij een carriere heeft gemaakt als drugsdealer en ‘fijntjes’, ja want we blijven uiteraard een heer in het verkeer, vertelt hoe de Turkse overheid bij deze misdaad was betrokken.

“Bovenkerk en Yesilgöz geven toe aanvankelijk het verhaal niet te hebben geloofd, maar de nasleep van Susurluk heeft de geschiedenis ‘heel wat geloofwaardiger gemaakt’.”

Nee want je bent wetenschapper of je bent het niet, en ‘wij’ zijn van de wetenschap dus…. wat heeft ‘zijn’ verhaal dan wel geloofwaardig gemaakt:

“De banden die deze figuren met officiële overheidsinstanties hebben, werden al langer vermoed, maar kwamen werkelijk aan het licht toen op 3 november 1996 bij het plaatsje Susurluk een luxe Mercedes verongelukte met daarin een curieus gezelschap.”

Telkens zien we weer de Johnny hang yourself methode door zijn ‘aanvallers’ toegepast, immers Baybaşin zou het zelf allemaal hebben gezegd of het nu via de tap is opgevangen of via dubieuze gedwongen afgelegde verklaringen of via dit soort interviews.

Maar dan gebeurt er iets vreemds. De auteur Frank Bovenkerk heeft in het overzicht van publicaties de uitgave in 1998 weggelaten. Het overzicht springt van het jaar 1996 naar 1999 en slaat dus 1998 over.

compleet gewist. De uitgave 1998 is alleen nog via de tweedehandsboekenmarkt is te verkrijgen.

In 2004 verschijnt een heel nieuwe uitgave

Inmiddels is de uitgave uit 2004 ook alleen via de tweedehands markt te verkrijgen. Het boek staat nu min of meer impliciet vermeld bij 2004 in het publicatie-overzicht van Frank Bovenkerk. Een alinea daaruit:

“Bovenkerk, F. & Yesilgöz, Y (2004). The Turkish Mafia and the State. In C. Fijnaut & L. Paoli (Eds.), Organized Crime in Europe. Concepts, Patterns and Control Policies in the European Union and Beyond (pp. 585-602) (1074 p.). Springer.”

De beide wetenschappers schrijven en benadrukken zelfs tot tweemaal toe dat zij voor hun boek, uitgave 2004 ‘de gelegenheid hadden om uitgebreid en lang met de welbekende Koerdische Maffia baas Huseyin Baybasin, die nu een levenslange gevangenisstraf in een extra beveiligde gevangenis uitzit, over het onderwerp te discussiëren.  Baybasin mag dan misschien overkomen als een onbetrouwbare bron, vertellen ze, maar alle informatie die hij ons gaf bevestigt wat we via andere bronnen vernamen‘, etc

De ene bron voorziet de andere bron. Zo ook The Guardian die teruggrijpt op het boek van deze Bovenkerk.

Allemaal bronnen die elkaar bevestigen. Je hebt echt wetenschappers van het kaliber Frank Bovenkerk nodig om het waarheidsgehalte te bepalen. Zelfs een dergelijke ‘onbetrouwbare’ man als Baybaşin weten zij de waarheid begin 1996 te ontfutselen in een twintigtal gesprekken, vlak na zijn arrestatie in december 1995.

Zoals ik het nu bekijk fungeerde het boek van 1998 om de veroordeling tot levenslang een voorgeschiedenis mee te geven. Toen de veroordeling in 2002 een feit was moest het boek verdwijnen om plaats te maken voor de uitgave in  2004, niet een tweede of zoveelste druk, nee gewoon een heel nieuw boek met dezelfde titel met een totaal ander kaft en een ander jaartal, twee jaar nadat de Baba, de peetvader, de Pablo Escobar, Baybaşin inmiddels veilig achter de tralies zat. Dat maakte de uitgave van 2004 natuurlijk helemaal ‘wetenschappelijk’ verantwoord. De heren konden daarom ook vrijuit gaan bij Springer, die over dezelfde materie schreef. En zo doen de heren der wetenschap dat: heel fijntjes de boel besodemieteren, zou mn vader zaliger zeggen. Jammer voor hen dat er een tweedehands markt voor boeken is.

Lees ook het vervolg en klik op:

Het verhaal van Huseyin Baybasin

Baybasin en de storytellers

Baybaşin en de (re)constructie van een moord

Het oordeel

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat tot medeplegen van moord kan worden geconcludeerd. De betrokkenheid van verdachte ( =Baybaşin) bestond uit het geven van opdrachten met betrekking tot de moord en het aansturen van de uiteindelijke dader.

Het hof is van oordeel dat tussen Baybaşin, die in Nederland verbleef, en Yavuz en Korkut en de pleger van het feit, een zeer nauwe samenwerking heeft bestaan, die op niets anders dan de dood van Öge gericht kon zijn. Verdachte moet dan ook als mededader worden aangemerkt en daaraan doet niet af dat verdachte bij de moord niet lijfelijk aanwezig was.”

Baybaşin is volgens het hof, weliswaar op afstand en via via via, namelijk via Yavuz en Nuri, die weer de opdracht gaven aan de tussenpersoan Metin, die op zijn beurt de pleger van het feit de opdracht gaf, kortom via via via, de medepleger van de moord op een man Öge genaamd in een theetuin in Istanboel.  En alleen voor dit delict kon, volgens Advocaat Generaal Aben, levenslang worden gegeven.

Daarvoor moest eerst Lieshout, als woonplaats van Baybaşin ten tijde van deze moord, als plaats delict worden aangemerkt door de rechters.

Is inmiddels de dader bekend? Nee. Het betreft hier dus nog altijd een anonieme dader uit Bitlis, omschreven door het hof als ‘de pleger van het feit’.

In feite is de moord op Öge nooit opgelost. Daarbij komt dat ook deze Öge net als Baybaşin door de toenmalige Turkse overheid werd gezien als staatsvijand en daarom net als Baybaşin moest vrezen voor zijn leven.

Toch vonden de rechters voldoende bewijs in de tapgesprekken, die Baybaşin zou hebben gevoerd met de twee intermediairs Yavuz en Korkut, om hem van de moord te beschuldigen.

Laten we eens kijken naar de re-constructie van deze moord zoals door het hof is vastgesteld.

Het hof: “Op 9 november 1997 is Sadik Suleyman Öge in een theetuin in Istanbul vermoord. Uit telefoongesprekken die zijn afgeluisterd voor, op en na die datum, blijkt dat de verdachte Baybaşin rechtstreeks betrokken is geweest bij deze moord.”

Rechtstreeks? Heeft Baybaşin rechtstreeks contact gehad met de pleger van het feit? Nee!

Het Hof: ‘Hij heeft voor de moord aangegeven dat het werk geregeld/geklaard moest worden. Kort na de moord is hem gemeld dat het “ding” in een tuin “voor elkaar is” en de verdachte heeft daarover zijn tevredenheid uitgesproken.”

Het werk moet geregeld/geklaard?
Het ding in de tuin is voor elkaar?
De verdachte heeft daarover zijn tevredenheid uitgesproken?

Behoorlijk vaag als je’t mij vraagt. En het klinkt wel aardig dat voor de moord en na de moord, maar het suggereert een tijdvolgordelijk verband. Eens kijken hoe deze rechters van het hof tot dat oordeel zijn gekomen.

Het Hof: “Rekening houdend met versluierd taalgebruik in de tot bewijs gebezigde tapgesprekken, welke het hof als zodanig behoedzaam gebruikt en waaraan het hof, gelet op de context waarin een en ander voorkomt en de samenhang daarvan met de externe werkelijkheid, dat wil zeggen zich buiten de tapgesprekken voordoende uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten, die duidelijk maken waarop die tapgesprekken betrekking hebben, inhoud geeft, overweegt het hof met betrekking tot het bewezen verklaarde nog als volgt:”

Ach zo, wij moeten hier uit opmaken dat de rechters heel behoedzaam aan het werk zijn gegaan met de resultaten van de tapgesprekken en bij het lezen van de transcripties rekening hebben gehouden met versluierd taalgebruik. Tja op die manier kun je overal een verhaal van maken. Baybaşin is er duidelijk over, hij heeft het zo niet gezegd en al helemaal niet zo bedoeld en de tijdstippen kloppen ook niet.

Over de veelzeggende tijd

Het Hof: ‘Uit de telefoontaps, in dossier 1 van de moord op Öge, leidt het hof af, gelet op de tijdstippen waarop die gesprekken
gevoerd werden en de informatie die over en weer tussen de gespreksdeelnemers werd uitgewisseld, dat verdachte nauw bij de moord op Öge betrokken was.Verdachte Baybaşin had voor de moord telefonisch contact met Yavuz en Korkut. Daaruit blijkt dat verdachte opdrachten, met betrekking tot de moord geeft, indirect de personen die uiteindelijk de opdracht moesten uitvoeren, aanstuurt en de gang van zaken daaromheen dirigeert.’

Ook uit de telefoongesprekken na de moord blijkt volgens de rechters van die betrokkenheid, want Baybaşin wordt op de hoogte gehouden van de uitvoering van de opdracht. Het Hof: ‘Als blijkt dat Öge op 9 november 1997 ‘s middags om 16.25 uur in een theetuin in Istanbul wordt vermoord, wordt verdachte kort daarna, om 17.16 uur, door Yavuz gebeld dat de “opdracht” in de tuin was uitgevoerd, waarop verdachte verheugd reageert.’

Geen van de argumenten voor Baybaşins mede-moordenaarschap snijdt hout, stelt Derksen in zijn boek Verknipt bewijs. Het gehanteerde tijdschema door de rechters houdt geen stand.

Derksen schrijft: ‘Yavuz ( wie dat ook moge zijn) zou volgens het hof meteen na de moord om 18:16 gebeld hebben met Baybaşin. De moeilijkheid is dat bij nader inzien de moord om 15:30 plaatsvond en Yanuz spreekt over een gebeurtenis om 17:00 u.’

Over het contract om te liquideren

Het Hof: Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 13 januari 1999 met betrekking tot dit gesprek verklaart verdachte overigens dat hij met iemand over deze moord heeft gesproken op een tijdstip dat nog geen sprake kan zijn van publicatie in een krant, terwijl hij eerder in het verhoor aangeeft dat het gesprek gaat over hetgeen in een krant is verschenen over de moord op Öge.

Ton Derksen heeft daar in zijn boek Verknipt Bewijs uitvoerig bij stilgestaan. Want even voor de duidelijkheid Ton Derksen heeft meer gedaan dan het onderzoeken van tapgesprekken.(Verknipt Bewijs Hfdst 3 blz 151-196) Hij heeft ook gekeken naar de verhoren en uiteraard de rechtszaken. Hij komt tot de conclusie dat die vermeende daderkennis van Baybaşin wel heel erg kort door de bocht is vastgesteld. Derksen stelt vast dat de vermeende daderkennis die, door de rechtercommisaris en de rechters van het hof, aan Baybaşin wordt toegeschreven, zelfs hoogst onwaarschijnlijk is, waarna hij alle argumenten van het hof puntgewijs weerlegt, totdat er in feite niets overblijft van de bewijsvoering van het hof.

Over de theethuin als bewijs

Het hof stelt op basis van de transcripties: ‘Er worden bijzonderheden over de liquidatie besproken. Er wordt aangegeven dat het contract op de werkplaats was en dat daarbij één keer op hem was geschoten. Dat het de werkplaats was van het slachtoffer blijkt uit eerdergenoemd artikel in de Hürriyet, waarin wordt vermeld dat Öge de theetuin exploiteerde.’

Derksen: ‘Hier gaat het volgens de rechters om het liquideren op bestelling. Waarbij door de Rechter Commissaris de ontlastende gesprekken niet in de OM-keursselectie zijn opgenomen. In feite betreft het een gesprek uit 1990-1992 waar Baybaşin een contract met een jongen bespreekt, inderdaad als zakenman.’

De werkplaats wordt voor de rechters de theetuin, immers we hebben te maken met versluierde berichtgeving.

Derksen schrijft verder: ‘De tuin wordt door het hof uitgespeeld als indicatie dat het om de theetuin gaat. Maar in de juiste vertaling van het telefoongesprek wordt gesproken over een buidel in de correct vertaalde zin: De vlucht van de mensen met de buidel is geslaagd, en nu hebben de vluchtelingen een plaats nodig.’

Voorwaar dat is toch heel iets anders.

Derksen: Dat het de ‘werkplaats’ was van het slachtoffer blijkt uit eerdergenoemd artikel in de Hürriyet, waarin wordt vermeld dat Öge de theetuin exploiteerde.

Over het doden met 1 schot

Het hof stelt op basis van de transcripties: ‘Er worden bijzonderheden over de liquidatie besproken tussen Baybaşin en Yavuz. Er wordt aangegeven dat het contract op de werkplaats was en dat daarbij één keer op hem was geschoten, hetgeen overeenstemt met een ter zake opgemaakte medische verklaring (één inschotverwonding)’

Derksen schrijft: ‘Yavuz weet van het ene schot waarmee Öge is omgekomen, maar dat wist hij pas de volgende dag, nadat hij het had gelezen in de krant de Hürriyet. Yavuz vermelding van dat ene schot in het gesprek met Baybaşin is volstrekt geen aanwijzing van daderkennis, laat staan voor die van Baybaşin.’

Over de Sakalli (=baardmans) Öge die op weg gaat naar de begraafplaats

Het hof leest in de transcripties: ‘Er is sprake van de eerloze Sakalli (=man met baard)  terwijl op de foto van het slachtoffer in de Hürriyet een persoon te zien is met een volle baard.’

Ja als we de redeneertrant van dit hof volgen dan kan het niet anders zijn dan dat het dezelfde man betreft, man met baard, dat moet Öge zijn.

Ook de officier van justitie meldt dat deze eerloze sakkali Öge moet zijn, die samen met Mehmet Ali een heroineschuld bij Baybaşin heeft van 435.000 gulden.

Derksen daarover: ‘Het Hof meent te weten dat de Sakalli die Baybaşin in een telefoongesprek noemt, slaat op Sakalli Öge, maar Baybaşin heeft het over Sakalli Ali, de broer van Mehmet Ali. De Sakalli Ali  waar Baybasin het in zijn telefoongesprek over had, had wel een baard net als de Sakkali Öge in de theetuin, maar had geen schuld bij Baybaşin.

Kunt u lezer het nog volgen?

“Daarbij komt dat ook na 9 november, de fatale dag in de theetuin, Baybaşin nog steeds en regelmatig spreekt  over sakkali als levende personage.

“Het vreemde is dat in zijn repliek, de Advocaat Generaal erkent dat het om twee personen gaat. “Dat doet wat de A-G betreft verder ook totaal niet ter zake, nu Baybaşin zelf had aangegeven dat het gesprek wel degelijk over de moord op Öge ging.’

Blijkbaar is het Hof daar wel erg gemakkelijk overheen gestapt! Persoonlijk vind ik dat niet te bevatten, als je daarna er toe over gaat een man tot levenslang te veroordelen.

En dan zijn we weer terug bij af, namelijk de veronderstelde daderkennis van Baybaşin. Die hij dus niet had.

Over ‘niemand mag wat zeggen van Baybaşin’

Het hof stelt op basis van de transcripties vast: ‘Baybaşin geeft opdracht dat over deze zaak niet mag worden gesproken.’

Derksen schrijft: ‘Het hof ziet in het door Baybaşin opgelegde stilzwijgen van mensen een reden voor zijn betrokkenheid bij de moord.’

Opnieuw een vergezocht verband met de moord, maar om dat nu een bewijs te noemen!

Over het motief: de (heroine) schuld mag niet ongestraft blijven

Volgens het OM had Öge een grote heroineschuld bij Baybaşin. Zoiets kon niet ongestraft blijven. Tja nu komt dat hele verhaal van de twee baardmannen weer om de hoek kijken, want niet sakalli Öge had een schuld bij Baybaşin, maar Mehmet Ali, waarvoor de broer sakalli Ali als contactpersoon optrad. Daarmee vervalt het motief stelt Derksen.  En zo is het.

Over de twee intermediairs, de zogenaamde medeplegers van Baybaşin:
Yavu Yavuzturk, is aangeklaagd voor de medewerking aan de liquidatie van Öge, mede op het Nederlandse bewijsmateriaal, desondanks op 13 oktober 2004 vrijgesproken door de Turkse rechter. Nuri Korkut is in Turkije niet eens aangemerkt als verdachte.

In zijn slotconclusie stelt Derksen dat in de veroordeling van Baybaşin (tot levenslange gevangenisstraf) sprake is geweest van fitness for purpuse.

Anders gezegd: Barbertje moest hangen.

En nu is Aben aan zet in verband met het herzieningsverzoek van Baybaşin. Hij heeft ondanks de onderzoeksresultaten van Derksen, en na vier jaar onderzoek, recent een nieuwe deskundige in de arm genomen. Iemand die volgens Aben vanuit een geheel andere invalshoek de zaak Baybaşin gaat benaderen.

Tja dan denk ik inmiddels toch echt dat deze meneer een nieuwe draai aan het verhaal moet geven. De onwil om werkelijk recht te doen aan Baybasin is zo stuitend aanwezig, door het telkens maar weer uitstellen.

Aben besluit zijn conclusie met: “Bij beslissingen over de inrichting en de uitvoering van het onderzoek zullen de verzoeker Baybaşin en zijn raadsvrouw worden gekend, en dit in de stellige overtuiging dat de gelegenheid tot tegenspraak niet alleen een universeel beginsel van “fair trial” betreft, doch ook een noodzakelijke voorwaarde voor verantwoorde waarheidsvinding.”

Die belofte maakt schuld!

lees ook:

Baybasin en de conclusie van Aben
Aben speelt Iene Miene Mutte met Baybasin
Baybasin en de rechters die zichzelf overtroffen
Baybasin en zijn weapon of destructie
Baybasin en de papieren tijgers
Baybasin: Barbertje moet blijven hangen!

Voorlopig is dit het laatste artikel. Ik heb in sneltreinvaart het nodige geschreven en ik hoop dat bezoekers al mijn artikelen willen lezen. Om werkelijk een goed beeld te krijgen van wat hier speelt is dat m.i. nodig. Een goede start is wellicht mijn samenvatting van de eerste serie artikelen.

Baybaşin: a free spirit after all

Ik ga nu bezig met het hier en daar verbeteren van de tekst en het vertalen van de artikelen in het Engels. Niet in de laatste plaats voor Baybaşin zelf.

L.D.Broersma

Link naar het vonnis

Baybaşin: Opvolger Grootcrimineel Bruinsma der Lage Landen

Als we de vonnissen en arresten mogen geloven.

Ik moet toegeven dat ik de Roestige Spijker een beetje heb gebruikt als mijn externe geheugen. Daar put ik zo nu en dan uit. Zo ook mijn commentaar op het boek Verknipt Bewijs van Ton Derksen. Ik schrijf op maandag 26 mei 2014 om 14:33 het volgende:

Dan mijn tweede puntje van kritiek, meneer Derksen, die geef ik dan toch ook maar direct. U beweert het volgende:

„De rechter is slecht geëquipeerd om bedrog te ontdekken. Om tot zijn oordeel te komen gaat hij uit en moet hij uit kunnen gaan van de ambtseed van politiemensen, de onkreukbaarheid van OM-ers en de integriteit van het dossier. Een betrouwbare politie, een betrouwbaar OM en daarmee een zo betrouwbaar mogelijk dossier zijn het fundament van zijn oordelen. Als hij daar niet vanuit kan gaan, valt de bodem uit het rechtssysteem.”

Als u stelt dat de rechters slecht geëquipeerd zijn om het bedrog te ontdekken dan geeft u hen niet alleen een generaal pardon, maar u geeft hen daarmee tegelijkertijd een brevet van onvermogen en zet hen in een volkomen afhankelijke positie t.o.v. het OM, de politiemensen en onderzoeksinstituten als het NFI.

U schetst met deze stelling de omgekeerde wereld, waarbij de rechters ondergeschikt zijn aan -en niet meer dan marionetten van het OM. Een soort van veredeld secretariaat. Toch is het de rechter die zijn oordeel geeft en zijn handtekening zet. Hij of zij is hoe dan ook verantwoordelijk voor de veroordeling.

Tot zover mijn commentaar: laten we nu eens kijken waar de rechters hun oordeel met behulp van OM, politie, en NFI ‚formeel’ op hebben gebaseerd.

Eerst enkele gebeurtenissen in de tijd:

24-12-1995 tot 24-12-1996

De uitleveringsdetentie. Nederland probeert Baybaşin uit te leveren aan Turkije, dit mislukt.

25-12-1996 tot september 1997

Huisarrest in Nederland. Hij staat onder toezicht van veiligheidsdiensten en politie. Wanneer zijn uitlevering aan Turkije, n.a.v een door Baybaşin aangespannen kort geding, definitief wordt verboden is vrij om te gaan en te staan.

van september 1997 – 28 maart 1998 kan hij zich vrij bewegen in Nederland. In deze periode wordt een aanslag op hem gepleegd. Ondertussen wordt Baybaşins telefoon, zo wil het OM ons doen geloven, vijf maanden lang afgeluisterd. Er zijn volgens justitie 6000 telefoongesprekken getapt, gemiddeld 40 gesprekken per dag.

Hij wordt 28 maart 1998 opgepakt voor gepleegde delicten gedurende die vijf maanden dat hij vrij man was.

Zijn voorarrest wordt op 29 februari 2001 omgezet in een gevangenisstraf van 20 jaar en een jaar later

Op 30 juli 2002 wordt Baybasin in hoger beroep tot levenslang veroordeeld. Cassatie wordt afgewezen per Oktober 2003 . De commissie Buruma, waar advocaat Wladimiroff deel van uitmaakte, is ook niet onder de indruk en laat hem zitten op 1 februari 2011.

Toch start Baybasin direct daarna op 1 april 2011 een Herzieningsverzoek dat tot op heden in onderzoek is bij Advocaat generaal Aben van de Hoge Raad.

De periode waarbinnen het OM de strafbare feiten heeft geconstateerd ligt tussen september 1997 tot februari 1998. Welgeteld vijf maanden dus.

Een paar citaten uit het vonnis in Hoger Beroep. U hoeft het niet nauwkeurig te lezen, dat is bijna geen doen. Het bevestigt de periode en de criminele organisatie waar Baybasin leiding aan gaf:

hij in in of omstreeks de periode van 28 oktober tot en met 9 november 1997 te [pleegpplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd;
9 november 1997 te [pleegplaats] opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of geweld en/of bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten etc etc

van 27 november 1997 tot en met 30 november 1997 te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [slachtoffer 3] (alias [alias 1]) in een pand (woning) wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd heeft/hebben gehouden door die [slachtoffer 3] in dat pand (die woning) vast te houden en/of te verhinderen dat die [slachtoffer 3] dat pand/die woning kon verlaten, met het oogmerk één of meer anderen (familieleden en/of bekenden van die [slachtoffer 3]) te dwingen tot betaling van een openstaande (heroïne)schuld, welk feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 22 november 1997 tot en met 27 november 1997 te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of door gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende hij verdachte

hij in of omstreeks de periode van 9 november 1997 tot en met 9 januari 1998 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet , te weten het opzettelijk bereiden en /of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 23 kilogram, althans ongeveer 20 kilogram heroïne, in ieder geval een hoeveelheid van een stof bevattende heroïne (diacetylmorfine), zijnde heroïne (diacetylmorfine) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (niet zijnde een hoeveelheid van 20 kg heroïne bestemd voor [betrokkene 4], althans voor een ander dan hem, verdachte), voor te bereiden en/of te bevorderen één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daar behulpzaam bij te zijn en/of om zich en/of (een) ander(en) daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of gelden voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat die bestemd was/waren voor het plegen van dat feit, hebbende hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk met betrekking tot die heroïne gelden (ter financiering van de aankoop en/of het transport van die heroïne), ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen (aan met name [betrokkene 2]) en/of instructies verstrekt aan één of meer (zich in Turkije bevindende) personen (met name aan [betrokkene 2] en/of ene [betrokkene 6] en/of ene [betrokkene 7]) en/of contacten gelegd en/of onderhouden met (tussenpersonen van) één of meer koerier(s) en/of contacten gelegd en/of onderhouden met (tussenpersonen van) één of meer leveranciers, één en ander om tot overdracht
en/of het binnen het grondgebied van Nederland brengen van die heroïne te komen;

hij in of omstreeks de periode van [periode] 1998 te [pleegplaats] door misbruik van gezag en/of door het verschaffen van inlichtingen heeft gepoogd een ander, te weten [medeverdachte], te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer anderen, te weten [slachtoffer 4] en/of [slachtof[slachtoffer 5] van het leven beroven, hierin bestaande dat verdachte

etc. etc etc.

(Om het hele arrest, dat pas begin 2013 is gepubliceerd, te lezen klikt u hier.)

Wat opvalt in het vonnis is het woord pleegadres. Dat is de plek waar het misdrijf heeft plaatsgevonden, dat kon overal zijn, in Turkije, Kentucky, anywhere. Maar had Nederland dan wel het recht om deze man te vervolgen?

5.4 Betreffende de vraag of de Nederlandse rechter al dan niet rechtsmacht heeft met betrekking tot een of meer van de aan verdachte ten laste gelegde feiten merkt het hof het navolgende op:

De rechter schrijft: “Met betrekking tot uitlokking van een strafbaar feit geldt dat (mede) als locus delicti dient te worden beschouwd de plaats alwaar de uitlokkinghandelingen plaatsvonden.”

Dus ja, het OM had volgens de rechter wel degelijk recht om tot vervolging over te gaan want, het coördinatie centrum, van waaruit onze „Europese Pablo Escobar”, zoals hij in de media werd genoemd ,opereerde was het idyllische plaatsje Lieshout in Noord Brabant. Dus was Lieshout mede Locus Delicti ofwel plaats van delict. Tja ook weer opgelost zullen we maar zeggen. Toen de advocaat naar aanleiding van Baybaşins arrestatie in 1995 de rechtmatigheid daarvan betwistte, werd dit genegeerd. We weten nu dat die arrestatie berust op een diplomatiek verzoek van Turkije aan Nederland.

Hoe dan ook, terugkomend op de bewijsvoering met betrekking tot de arrestatie in 1998: wij moeten dan geloven dat deze man Baybaşin, die zich zo bewust was van zijn positie hier in Nederland; op wie jacht werd gemaakt vanuit Turkije als zijnde staatsvijand numero 2; die ook hier moest vrezen voor zijn leven, immers hij overleefde in die periode maar ternauwernood een aanslag; wij moeten dus geloven dat deze man in een periode van vijf maanden in staat was een criminele organisatie op poten te zetten, bemanning te recruteren, opdrachten uit te delen, liquidaties te laten uitvoeren, een handel in Heroine te laten floreren en daarmee een miljoenen omzet te genereren.

Wij, burgers van Nederland moeten geloven, op basis van deze vonissen of arresten, dat wij hier te maken hebben met de opvolger van grootcrimineel Bruinsma der Lage Landen; dat we te maken hebben met een man die stoïcijns zijn grootgruttersbedrijf in de Heroine en aanverwante zaken zoals moord, gijzeling etcetera etcetera, vanuit het centrum van zijn misdaadorganisatie in het idyllische stadje Lieshout, als een zieltje zonder zorg, via de telefoon zijn handel en manschappen bestierde en dat hij daarmee in die periode van vijf maanden miljoenen verdiende. Zoveel dat de Nederlandse staat zich gerechtigd voelde al zijn bezittingen in beslag te nemen. Daarvoor heeft Baybaşin uiteraard een zaak aangespannen, de zoveelste, een zaak die net als alle andere zaken, tergend langzaam verloopt.

En waar kennen we die Bruinsma ook alweer van? O ja de IRT-affaire. Roerige tijden die jaren negentig.